Tentoonstelling
Ik weet niet hoe het u vergaat maar ik ga
nog steeds hoopvol naar tentoonstellingen,
ik hoop nog steeds iets te zien waardoor
ik word geraakt.
Mensen verschillen natuurlijk in hun
behoeften. Sommigen zijn dol op schoonheid en willen vooral behaagd of
gerustgesteld worden, anderen geven de voorkeur aan ontroering of melancholie,
weer anderen raken liever ontregeld of geschokt.
Soms gaat het om bezinning op ‘de toestand
van de mens in deze wereld’ of op de kunst zelf.
Tegenwoordig gaat het ook vaak om
bezinning op het kijken naar kunst of op het kijken überhaupt.
Ik noem dit alles als opstapje tot de
hamvraag: Hoe zit het met het werk van
Wat richt dat aan bij kijkers? En hoe
krijgt ze dat voor elkaar?
Wie een praatje houdt bij een opening wil
natuurlijk graag dat een paar mensen daardoor anders of beter gaan kijken.
Een kort verslag van mijn pogingen enige
greep te krijgen op dit werk.
Een paar weken geleden ging ik naar mijn
werk en begon daar zoals gewoonlijk met het lezen van mijn e-mail. Er was een
bericht van
Ik clickte en tot mijn verbazing werd
internet ingeschakeld en kwam ik automatisch op de website van
Ik keek in de tijd van mijn baas, dus het
moest snel maar ik was ook heel nieuwsgierig dus het moest onmiddellijk.
Misschien heeft u haar website ook bekeken en gezien hoeveel er op staat. Een
paar seconden per werk mocht ik die ochtend en desondanks raakte ik onder de
indruk. Sterker nog, ik raakte ontroerd. Ik zag kwetsbare menselijke figuren.
Soms zweefden ze in doorzichtig hemelsblauw. Er bewogen engelen over mijn
beeldscherm. Dat de lijven vaak gemutileerd of vervormd waren, deed weinig af
aan mijn genoegen. Ik had associaties met hemelse beelden uit de vroege
renaissance en met Westerik.
Mijn dag begon goed,
maar ik heb altijd al gedacht dat computers niet te vertrouwen zijn.
Een paar dagen later ging ik bij
Toen zag ik een andere kant van haar werk
Ik geloof dat haar werk
zeker niet bedoeld is om te behagen of gerust te stellen.
Die motieven kunnen we wegstrepen, maar
wat dan wel? Daar wil ik op ingaan aan de hand van één schilderij, haar
‘jongen’. Dat heb ik gekozen omdat het op de uitnodigingskaart staat, dat heeft
ze niet voor niets gedaan, het is een belangrijk schilderij voor haar.
·
Allereerst een jongen. Monumentaal, frontaal in
het midden.
·
De kleuren zijn hetzelfde als op het beeldscherm:
zachte lichaamskleur in onbestemde lichtblauwe ruimte, die minder doorzichtig
is.
·
Het oppervlak is ruw. Daar heeft
·
De helft van het beeldvlak is gevuld met het lijf
van de jongen. Heel veel huid.
·
Zijn houding is weinig monumentaal, eerder wat
onbestemd.
·
Hij staat op krakkemikkige halve beentjes zonder
voeten, hij is ook onthand.
·
Zijn hoofd, een beetje scheef, lijkt aandachtig
te kijken maar heeft geen ogen, het is boven de mond afgesneden, hij is half
onthoofd.
·
De mond is scherp getekend, een slordig
rechthoekje.
·
De hals is wat breed voor een jongen, maar lijkt
smaller door een flap huid die onder de kin hangt.
·
Vlak daaronder is in de huid een rechthoekje uit
gesneden, twee zachte blokjes vlees ter hoogte van het hart.
·
Daaronder over de hele lengte van de buik een
snee die verdacht veel op een litteken lijkt. Een vormeloos aseksueel
donkerblauw broekje, een vlek.
·
De buik is zacht en ook wat vormeloos, babyspek.
Het jongetje heeft geen zichtbaar spierweefsel, ook geen botten. Het is een
wonder dat hij kan staan.
Nogmaals, dit werk lijkt niet bedoeld om
te behagen of gerust te stellen.
Een ervan lijkt ‘het
oppervlak’ te zijn.
Een schilderij is nooit
meer dan een oppervlak met verf. Schilders proberen vaak je dat te laten
vergeten, ze schilderen een soort raam waardoor je een beeld van een
werkelijkheid ziet.
Een paar jaar geleden
deed
Ze schilderde stille
mensen tussen huiselijke attributen. Ze zaten of lagen vaak op banken, keken
naar de maan of staarden in het niets, mooi belicht, prachtig geschilderd.
In plaats daarvan heeft ze gekozen voor
bijna abstracte soberheid
voor een andere realiteit, de realiteit
van het oppervlak. Door het plakwerk en de manier waarop ze daar in het
schilderij gebruik van maakt, kun je niet vergeten dat je naar een geschilderd
oppervlak kijkt. Daarmee verandert het beeld van de jongen, dat wordt meer een
daad van een schilder dan een verwijzing naar een werkelijkheid buiten het
schilderij.
Het schilderij wordt daar dubbelzinnig
van, want het blijft tegelijkertijd toch een duidelijk beeld van een lijf, het
is meer dan verf het blijft een jongen.
Er zijn meer
dubbelzinnigheden, ook in het beeld van de jongen zelf.
Als je bijvoorbeeld naar zijn buik kijkt,
naar dat zachte babyvet en die heftige littekens, zou je ontroerd kunnen raken
door de kwetsbaarheid ervan. De mond van die jongen verzet zich daar tegen. Dat
is een stevige mond, niet van plan om toelichting te verschaffen, een : laat me
met rust, kijk naar jezelf, mond. Ik red me wel. Plotseling staat hij er ook
wat koppig bij.
Wat betekent dit?
door de dubbelzinnige manier waarop ze
niet alleen deze jongen maar ook haar andere mensen schildert of tekent, die
mensen zijn allemaal niet van plan contact met je aan te gaan, die willen niets
met jouw gevoelens te maken hebben, die leven in een eigen ontoegankelijke
wereld.
Soms lijkt
of door nadrukkelijke onhandigheid, zoals
in de aardappels
of door nog meer aandacht te vragen voor
het geschilderde oppervlak, door het met rode strepen of stippels te
benadrukken.
Nogmaals;
verleidt je tot reacties en speelt daarmee
‘kijk nou eens wat je doet, wat je ziet maak je zelf’
Je wordt daardoor geconfronteerd met de
manier waarop je kijkt
·
naar het schilderij
·
naar beelden van mensen
Je kunt je bewust worden van behoeften bij
het kijken bijvoorbeeld van je behoefte om ontroerd te raken of van een neiging
je af te wenden van enge beelden
Dat is spannend, maar
nog mooier is dat het daar niet bij blijft.
Ik geloof dat
je eindigt toch met een hoofd vol sterke
geheimzinnige beelden van menselijke kwetsbaarheid, beelden die je bijblijven.
Dat is goed werk!
Leiden, februari 2001, Loukie Hoos