Opening van de tentoonstelling
'Madonna' in de Galerie Expoline te Scherpenzeel, zaterdag 24 november 2001, om
17.00 uur door Drs. C.H. Staal, conservator Museum Catharijneconvent, te
Utrecht
Dames en heren,
Wat je zou kunnen bedenken
gebeurde. Toen ik in Amersfoort de bus nam naar Scherpenzeel om deze
Madonna-tentoonstelling te komen openen, zei ik tegen de buschauffeur: vijf
strippen naar Scherpenheuvel. Waarop de man me eerst vreemd aankeek en toen
zei: dat is toch in België? Hij had gelijk. Scherpenheuvel, Montaigu, is een
bekend Maria- bedevaartsoord, even over de grens met Nederland. Het
protestantse Scherpenzeel wordt door deze expositie nog niet het roomse
Scherpenheuvel.
Vanmiddag openen we een expositie
waarin Mariá centraal staat. Vaak is zij vergezeld van haar zoon Jezus. Het is
intrigerend te zien hoe hedendaagse kunstenaars met haar, met de Moeder Gods,
omgaan. Of nog scherper: dát ze met de Moeder Gods omgaan. Want lange tijd is
Maria bij Nederlandse kunstenaars uit de gratie geweest. Zeker enkele decennia.
Dat was in het verleden wel anders. Als ik kijk naar romaanse beelden van haar,
naar middeleeuwse voorstellingen, zowel el portretten als in scenische
taferelen, als ik kijk hoe de renaissancekunstenaars haar uitbeeldden, als ik
kijk naar de perioden daarna, dan durf ik te stellen dat de voorstelling van
Maria statistisch het algemeen klassement na het kruisbeeld leidt.
Voorstellingen van Maria ontstaan
voor het eerst in de derde eeuw. De alleroudste voorstellingen vinden we op
fresco's in de catacomben van Rome. Enkele eeuwen later zijn er afbeeldingen op
houten panelen, we noemen ze iconen. De oudste hebben de roep origineel te
zijn. De evangelist Lucas, die gehouden werd voor arts en schilder, zou de
heilige maagd geportretteerd hebben. Maar dat is natuurlijk niet waar. Het uit
Byzantium stammende verhaal dateert pas uit de zesde eeuw.
Uit de platte voorstellingen
ontwikkelen zich in de 10 de en de
11 de de ruimtelijke voorstellingen. Dat
is dus pas duizend jaar na Maria's dood. Het christendom kent in de Tien
Geboden van het Oude Testament een beeldenverbod. Dat wordt in zijn
algemeenheid na de derde eeuw met voeten getreden. Maar als het om beelden gaat
die tot afgodsbeelden uit zouden kunnen groeien, dan is de kerk onverbiddelijk.
Pas uit de decoratie van de kerkgebouwen, wanneer de ondiepe wandplastieken
steeds dieper worden en de voorstellingen zich haast ontworstelen aan de wand
waartegen ze geplaatst zijn, ontstaat het vrijstaande.beeld. Zo zien we de
beelden verschijnen aan de wanden van de romaanse en later gotische
kathedralen. Daarnaast zijn er beelden die reliekhouder zijn. Het beeld van St.
Foy in Conques is dan het beroemdste voorbeeld. Het zittende beeld bevat
relieken, overblijfselen van de heilige, en leert dus de gelovigen visueel van
wie de erin besloten relieken zijn.
De ontwikkeling gaat door. De
renaissance komt met coryfeeën als Michelangelo die de Piëta in de St. Pieter
te Rome maakt, of de zittende moeder Gods Kind die in Brugge te zien is. Dan
komen de barokke kunsten aars, het classicisme" de neobarok, de neogotiek,
de Jugendstil en de art nouveau, en tenslotte onze twintigste eeuw met o.a. het
expressionisme.
Wat is nu het aardige van deze
expositie hier in Galerie Expoline? Dat, bewust of onbewust, al deze perioden
als bron van inspiratie aanwezig zijn. Deze expositie vat als het ware de
gehele historie van de afbeeldingen van Onze Lieve Vrouw samen. En er zijn
zelfs verbindingen - in mijn ogen - met vóór-christelijke afbeeldingen. Ik maak
met u een kleine rondleiding langs de hier geëxposeerde werken.
Als Yvonne van Woggelum het thema
'Madonna' wil schilderen, komt ze uit bij Lilith, de eerste vrouw van Adam, die
volgens een aantal rabbijnen aan Eva vooraf ging. Ze wordt op de expositie met
een uil afgebeeld. De kunstenares schildert Lilith die het symbool draagt dat
de Griekse godin Pallas Athene ook heeft. De uil, die daar een symbool van de
wijsheid is, heeft in de christelijke iconografie echter een slechte naam want
het is een nachtdier, een dier van de duisternis en niet van het licht, laat
staan van het eeuwig licht. De uil heeft zijn slechte reputatie misschien wel
te danken aan Pallas Athene. Opdat geen van de heiligen zou gelijken op deze
godin, is het attribuut van de uil een christelijk taboe.
Een wonderlijke mix van de
Romeinse catacomben en de vroomheid van het begin van deze eeuw levert Rudolf
Hollemans. Het bewerkte een gipsen Mariabeeld. De kleine Jezus die op Maria's
arm zit, heeft een hengel in de hand waaraan een perspex vis -bengelt.
De vis is een Christussymbool uit
de catacomben. In het Grieks is dat ICHTUS, Iesous Christos Uios Theou Sooter;
vertaald: Jezus Christus Gods Zoon, Redder. De kleine Jezus hengelt dus met
zijn eigen logo. Daarnaast is er de associatie met de roeping van de twee apostelen,
broers, Petrus en Andreas. Beiden waren vissers. Ze lieten hun netten in de
steek en volgden Jezus. Die had tegen hun gezegd: 'Ik zal mensenvissers van jullie
maken'. Jezus is verlicht. De verlichting van het beeld rijmt op de
bijbeltekst: 'ik ben het licht der wereld’. U hoort het: ik heb genoten van
deze vrije associatie, die zo vrij is, dat zij het kerkgebouw te vrij gevonden
zou zijn. Dat schat ik zo in. Sjer Jacobs toont ons onder andere een groot
doek. Fraai van compositie, van kleur en met hemels bladgoud op sommige delen.
Is dat de heilige Familie: Maria Jozef, Jezus en opa Joachim en oma Anna? Of is
het een zogenaamde Sacra Conversacione, een renaissance-thema. Daarbij
discussieert Maria met een aantal heiligen. Beiden invullingen kunnen. Het werk
zet aan het denken en draagt een verheven sfeer uit.
Op een andere manier trof Ada Stel
mij met haar Madonnabeelden. Die zijn Afrikaans, of juister meer Afrikaans dan
Afrikaans. Want terwijl de missionarissen de westerse Madonna-figuur importeerden
toen zij vanaf de 19de eeuw Afrika tot het christendom trachtten te
bekeren, leverden de afrikanen op het gebied van de religie niet direct
eigenlandse christelijke kunst. Later wel. Deze in ons land ontstane Madonna
zou ik 'Maria van de Bijlmer' willen noemen. Volgens mij kan dit beeld zonder
enige scrupule functioneren in de kerken die in de parkeergarages van de
Bijlrnermeer zijn ontstaan voor onze allochtone medelanders. Ook haar zwangere
Maria past in deze sfeer. "Hoe kom ik in Godsnaam inBethlehem",zie je
de exotische Madonna denken.
Iconen zijn inspiratie geweest
voor Alexandra Banaschovska. Haar negen madonna’s waarvan de kleuren zo
bijzonder op elkaar inwerken, riepen bij mij ook het Poolse heiligdom
Tsjeschtachova op.
'Een vrouw uit duizenden' noemt
Sfeervol is het werk van Carolien
Gevers. Ze roept de verstilde atmosfeer op van Florentijnse frescoschilders.
Maar ook voel ik een verbinding met de Kunibertkerk van Wahlwiller in
Zuid-Limburg. Aad de Haas schilderde daar in 1946 prachtige fresco's met
Golgotha, met de apocalyptische ruiters en op panelen een kruisweg. De
rooms-katholieke autoriteiten lieten zijn werk op
Goede Vrijdag 1949 als
godslasterlijk verwijderen. Rehabilitatie volgde in 1980.
John van der Valk brengt de
Madonna van de kwetsbaarheid. Verglijdende lijnen en vlakken. Da Vinci-achtige
contouren vindt je in zijn werk, waarbij de vierkante harde elementen zijn die
contrasteren met de zachtheid. Bij één grijs getint werk dacht ik aan de
lijkwade van Turijn, die beroemde doek die het zo droeve Christusgelaat zien
laat. Als er van Maria zo'n soort afbeelding zou zijn geweest, dan paste dit
werk van Van der Valk daar goed bij.
Rubens en andere barokschilders
met - laat ik het netjes zeggen – voluptueuze figuren, zag ik bij Michelle
Tabor. De cirkels, vanouds een aureool, zijn focus en schietschijf Doorhalen
wat niet van toepassing is?
De devotionele entourage van de
laatste decennia van de 19de eeuw zit in het werk van Maps Färber.
Zij roept Onze Lieve Vrouw van de Wonderdadige Medaille op, die in Parijs in de
Rue de Bac tot op de dag van vandaag heftig wordt vereerd. Maria verscheen daar
in 1830 aan Catharina Labouré, een kloosterzuster die hoort tot dezelfde club
van zusters als de vliegende non van de Tv-serie van vroeger. Maria is de
Onbevelkt Ontvangene.
De nederigheid van Maria komt in
de middeleeuwse voorstellingen tevoorschijn wanneer Maria niet op een zetel of
stoel zit, maar op een matje op de grond. Wanneer Frans en Truus van de Veld
het zwarte beeld dat buiten staat vervaardigen, en wanneer zij dat 'zittende
Madonna' noemen, is van die middeleeuwse nederigheid weinig meer over. Des te
meer spreken beiden over de zogenaamde Zwarte Madonna's van o.a. het
Middellandse Zee-gebied. Over de christelijke versie die Maria zijn zou van
Astarte, Tanit, Isis, Demeter en Cybele. Ik zou het Hooglied willen citeren
'Tota pulchra est'. Vrij vertaald met: van top tot teen zijt gij de schoonheid
zelve! Misschien mag daarom 'Madonna' de titel van deze vrouwenfiguur zijn.
Ageren tegen de commercie van
Lourdes doet Els Brouwer in een drieluik. Op een doek waarop zij Lara Croft
voor Maria met Kind plaatst, getuigt ze ervan dat elke tijd zijn eigen
Madonna's schept. Een hedendaagse ster schuift voor die uit het verleden. En
Maria heet nog wel 'Sterre der Zee' en 'Morgenster'.
Ik kan niet alle kunstwerken in
deze openingstoespraak de revue laten passeren. Maar ik wil natuurlijk wel
enige woorden wijden aan deze madonna's en de rol van de Mariavoorstelling,
plat of ruimtelijk, in het kerkgebouw, of thuis op de kast of aan de muur.
U gaat zo direct alles zelf
bekijken. Ik denk dat u net als ik, ziet hoe de meeste kunstenaars een
startpunt in de traditie namen en daar vervolgens persoonlijk mee aan het werk
gingen. In hoeverre is hier nu sprake van religieuze kunst?
Wanneer we in de definitie van
religieuze kunst meenemen dat het kunst is waarvan één van de karakteristieken
is dat het devotie oproept of dat het kan dienen, om het kerkgebouw of een
andere gewijde plek te verfraaien, dan zou ik het volgende willen zeggen. Er
zijn enkele werken die mijns inziens een religieuze werking zouden kunnen hebben.
Zojuist heb ik dat aangetipt. Betekent dat een kentering ten opzichte van tien
of twintig jaar geleden? Ik meen van wel. In de jaren zestig is in ons land de
band tussen kerk en hedendaagse kunst in feite doorgesneden. Beiden hadden in
ons land geen boodschap meer aan elkaar. Maar thans zie ik voorzichtige
toenaderingen. "Niet alles oude kunst en kitsch", voel je mensen
denken. Ooit was Michelangelo een van de meest progressieve en tegelijk
controversiële kunstenaars. Van onze eigen Rembrandt valt dat ook te zeggen.
Zie eens, hoe geaccepteerd zij nu zijn. Dat kan toch opnieuw?
Ik hoop op een nieuwe verbinding.
Dat de kerk, die niet meer zo rijk is als weleer, weer opdrachtgever wordt, dat
de kunstenaars weer opdrachten van de kerk willen aanvaarden en dat de
kunstenaars daarover met de opdrachtgever in gesprek willen gaan. Ik hoop dat
de eigenwijze houding van zowel de kunstenaars als de kerkelijke autoriteiten
en opdrachtgevers, die allebei wisten hoe het moest en zo niet meer tot een
zinvolle samenwerking kwamen, tot het verleden zal gaan behoren. Ik hoop van
harte dat oude en nieuwe kerkgebouwen, romaanse of gotische kerken, 19de
eeuwse en de 20e eeuwse kerkgebouwen, kerken van vóór
en van na de oorlog plaatsen blijken, waar de hedendaagse kunstenaars weer
toegang toe te krijgen.
In oude kerken heeft iedere
periode wat toegevoegd aan het interieur, dat zo niet meer stijlzuiver is maar
wel een spiegel van de tijd en een teken van het gelovige beleven. Ik hoop dat
die draad weer wordt opgepakt door u en uw generatiegenoten.
En met deze cri de coeur verklaar
ik de expositie Madonna in galerie Expoline te Scherpenzeel plechtig voor
Geopend. En wanneer u geniet van wat hier bijeen is gebracht, drinken we
nogmaals op de inifiatiefneemsters van deze tentoonstelling, op de kunstenaars
en op al diegenen die deze expositie mogelijk hebben gemaakt.